Te hoge prijzen en misbruik: de witte raaf van het mededingingsrecht?

Inleiding
De rechtbank Den Haag heeft recent uitspraak gedaan in een zaak die taxibedrijven hadden aangespannen tegen SDU. De taxibedrijven stelden dat SDU door excessief hoge prijzen te berekenen voor taxi werkmappen haar economische machtspositie heeft misbruikt en vorderden schadevergoeding.[1]

Tussen 1998 en 2010 had SDU een wettelijk monopolie met betrekking tot het aanbod van werkmappen voor taxichauffeurs in Nederland. Taxibedrijven zijn op grond van het Arbeidstijdenbesluit Vervoer verplicht hun werktijden bij te houden in werkmappen. Deze mappen konden als gevolg van het wettelijke monopolie alleen aangeschaft worden bij SDU. Na opheffing van het monopolie en toetreding van nieuwe producenten kelderde de prijs van de werkmappen.

Analyse excessieve prijzen
De taxibedrijven baseren hun vorderingen op een aantal omstandigheden. Ten eerste was de marge van SDU op de werkmap in de monopolie periode twee keer zo hoog als haar gemiddelde bedrijfsresultaat. Ten tweede was de marge van SDU twaalf keer zo hoog als de gemiddelde marge in de grafische branche. Ten derde waren de prijzen van SDU tot elf keer zo hoog als die van haar concurrenten nadat het wettelijk monopolie was opgeheven.

Bij het beoordelen van de eis heeft de rechtbank gebruik gemaakt van de toets voor excessieve prijsstelling zoals door het Europese Hof van Justitie al in 1978 vastgesteld.[2] Een prijs is excessief indien voldaan is aan twee cumulatieve voorwaarden:

1. het verschil tussen de verkoopprijs en de productiekosten is excessief (kostprijsanalyse); en

2. de prijs staat niet in redelijke verhouding tot de waarde van het product, op zichzelf genomen of in verhouding tot concurrerende producten (benchmark).

Wat de kostprijsanalyse betreft wijst de Rechtbank de argumenten van eisers af en oordeelt dat de door SDU behaalde marges op werkmappen niet excessief zijn. De marge schommelde weliswaar tussen 40 en 61%, maar volgens de rechtbank was dit vergelijkbaar met soortgelijke producten van SDU. De Rechtbank volgt SDU verder in haar stelling dat zij moet worden gezien als een uitgeverij, en niet als een drukkerij zoals de taxibedrijven hadden gesteld. De (significant lagere) marges in de drukkerij-branche kunnen daarom niet worden gebruikt als relevant referentiekader bij de beoordeling van de prijzen van SDU.

Volgens de rechtbank hadden eisers eveneens onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat de prijs niet in redelijke verhouding stond tot de waarde van het product (de benchmark). Naast de kosten van het printen van de werkmappen had SDU significante investeringen moeten doen in productontwikkeling voordat de werkmappen op de markt konden worden gebracht. Bovendien droeg SDU het financiële risico van heruitgaven indien aanpassingen aan de werkmappen nodig zouden blijken. De rechtbank oordeelt dat aangezien toetreders tot de markt deze kosten niet hoefden te maken, een (significant) prijsverschil op zich nog niet betekent dat de prijs voor de werkmap te hoog was.

Nu op basis van de gestelde feiten een excessieve prijs niet bewezen kan worden geacht wijst de rechtbank de eis af.

Conclusie
De eiser in mededingingszaken moet zijn vordering onderbouwen met relevante feiten en omstandigheden zodat een gedegen (economisch) partijdebat en rechterlijk oordeel mogelijk is. Mededingingszaken stranden regelmatig op het feit dat eisers en hun adviseurs hun zaak onvoldoende (kunnen) onderbouwen. Ook in deze zaak is de stel- en bewijsplicht eisers te machtig gebleken. Nu is dit geen schande, het kan in de praktijk met name lastig aan te tonen zijn dat de prijs niet in redelijke verhouding staat tot de waarde van het product.

Toch is het een gemiste kans. In deze zaak stond de economische machtspositie al vast en hoefden de eisers daarom geen volledige marktdefinitie meer uit te voeren. Een groot deel van het werk was feitelijk al gedaan. Het lijkt er echter op dat het ontbreken van een robuuste economische analyse van SDU’s prijs- en kostenmodel de taxibedrijven heeft opgebroken. Verder had een vergelijking met prijzen in het buitenland de taxibedrijven wellicht kunnen helpen. De rechtbank lijkt tenslotte weinig kritisch te hebben gekeken naar de argumenten van SDU. Zo is bijvoorbeeld de stelling van SDU dat het significante kosten heeft moeten maken voor de ontwikkeling van de werkmap niet meteen te volgen. Al met al lijken er dus voldoende aanknopingspunten voor een hoger beroep.

Mits degelijk onderbouwd hebben excessieve prijzen zaken wel degelijk kans van slagen. De uitspraak van de rechter illustreert dat eisende partijen in mededingingszaken echter zeer goed beslagen ten ijs dienen te komen. Dit geldt des te meer in misbruikzaken waar een vastomlijnd juridisch kader soms ontbreekt en regelmatig een gedetailleerde beoordeling van prijs- en kostenstructuren noodzakelijk is.
 

 

[1] Rechtbank ‘s-Gravenhage, uitspraak van 4 maart 2015, zaaknummer C-09-454521 - HA ZA 13-1279, beschikbaar op http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:2451&keyword=C-09-454521.
[2] HVJEU, arrest van 14 februari 1978, zaak 27/76 (United Brands).